“Deur-tot-deur in en rond Amsterdam”

Onderliggende pagina's

stedelijke bereikbaarheid - Gepubliceerd op - Laatste update: 22 januari 2019 om 13:41 uur

Johannes Beuckens en Hanneke Bresser waren de projectleiders van het MIRT-onderzoek stedelijke bereikbaarheid MRA Fase II. Johannes namens de gemeente Amsterdam en Hanneke namens het ministerie van IenM. In februari 2017 werd het resultaat van het onderzoek opgeleverd: de nieuwe deur-tot-deurmethode

Hierin worden reistijd, betrouwbaarheid én beleving worden gemeten in de Metropoolregio Amsterdam. Het resultatenrapport en de samenvatting kan je via de link onder dit artikel downloaden.

1. Wat hebben jullie gedaan voor het MIRT-onderzoek stedelijke bereikbaarheid MRA?

Hanneke: In praktische zin hebben wij de financiering geregeld, het projectplan geschreven, een kernteam opgezet, samenwerkingspartner Goudappel geselecteerd en zijn we als rijk en regio gezamenlijk aan de slag gegaan.

Johannes: Rijk én regio willen de deur-tot-deurreis voor reizigers verbeteren. Alles wijst erop dat de first en de last mile van een reis de meest kwetsbare stukjes zijn. Maar het lukte niet om deze hypothese te toetsen. De stad heeft data over het stedelijke wegennet, Rijkswaterstaat over de A10 en vervoerders hebben OV-chipkaart gegevens, maar die data zijn lang niet altijd vergelijkbaar.

Hanneke: Als je de kwaliteit wilt verbeteren moet je de volledige reis in beeld krijgen. Dus ook de stukjes die reizigers bijvoorbeeld op de fiets of lopend afleggen. Het gaat hierbij volgens ons niet alleen over de reistijd en de betrouwbaarheid, maar de beleving speelt hier ook een grote rol en moet gemeten worden. En dat gebeurde niet. Daar hebben wij een methode voor ontwikkeld. Succesfactor is dat we hiervoor eerst een pilot hebben gedaan tussen Haarlem en Amsterdam. Zodat we de methode konden testen en verbeteren voordat we verder gingen met andere trajecten.

Johannes: Het traject was een bewuste keuze: Haarlem is een belangrijke stad met vergelijkbare problematiek als Amsterdam, het traject is op regionale schaal en alle modaliteiten zijn van belang: OV, auto en fiets.

2. Hoe verliep de samenwerking? En met welke andere partijen werkten jullie samen?

Johannes: Vanaf de eerste fase behoorde ik tot het kernteam. IenM zat in de begeleidingsgroep. Vanaf fase II maakte IenM onderdeel uit van het kernteam. Vanaf toen was er sprake van een gelijkwaardige samenwerking en is het echt gaan lopen.

Hanneke: Ik was een tijd gedetacheerd bij de gemeente Amsterdam en Johannes was dat bij het ministerie. Los van onze detacheringen en werkervaring zijn we beiden enorm gemotiveerd om tussen organisatielagen verbinding te leggen.

Johannes: Wij organiseerden ook begeleidingsgroepen met delegaties van alle DG’s van IenM, provincies en gemeenten in de MRA en Goudappel. Vorig jaar juni presenteerden we de eerste resultaten van de pilot. Toen iedereen door had wat de resultaten waren, werden de oren gespitst en was de participatie enorm. Door die input en feedback konden we de methode aanscherpen en al over oplossingsrichtingen voor knelpunten denken.

Hanneke: We presenteerden de methode in een vroeg stadium ook binnen IenM bij de MT’s van Openbaar Vervoer en Spoor en Wegen. Op zo’n moment is het leuk om te zien dat er al anders wordt gedacht op moment dat duidelijk wordt dat de beleving onderdeel is van de kwaliteit van een reis. Het was in gesprek opeens niet het meest logisch om alleen het hoofdwegennet aan te pakken, maar ook de first en last mile te betrekken.

3. Wat is bij Stedelijke Bereikbaarheid de belangrijkste ontwikkeling om rekening mee te houden?

Johannes: We zien dat steeds meer mensen van en naar de stad gaan. In tegenstelling tot veel lopende MIRT-onderzoeken hebben we in dit onderzoek gekeken naar het hier en nu. Naar echte reizen van een deur tot een deur  (inclusief de kwetsbaarheid van de first en last mile), kwaliteit (reistijd, betrouwbaarheid én beleving) en multimodaliteit.

Hanneke: Om de huidige knelpunten op te lossen, weten we nog onvoldoende van de huidige kwaliteit van de gehele reis. Wel hebben we de verwachtingen over toe- en afnames van de intensiteit meegenomen (vanuit NMCA) en dat betrokken om tot de juiste oplossingsrichtingen te komen. . Daarnaast gebruikt het Bereikbaarheidsprogramma van de MRA de resultaten.

Johannes: Opvallend is dat de beleving tot andere aandachtspunten leidt dan dat reistijd en betrouwbaarheid doen. We zien dat trajecten soms goed scoren op reistijd en betrouwbaarheid, maar niet op beleving. Ook andersom kwamen we tegen.

4. Wat is jullie belangrijkste leerervaring bij het MIRT-onderzoek?

In koor: Gezamenlijkheid!

Hanneke: De samenwerking tussen Rijk en regio is echt belangrijk en dit MIRT-onderzoek bewijst dat. Als je met een compact en integraal team werkt, met voldoende tijd, kun je toegewijd en constructief aan het werk.

Johannes: Fase II van het traject heeft ruim een jaar geduurd en dat ging heel goed. Maar in de anderhalf jaar ervoor, zonder IenM, was het moeilijk om voortgang te realiseren.

5. Wat kunnen collega’s bij het Leerplatform MIRT met de resultaten?

Johannes: De methode is breed toepasbaar. Dat zit in de volledige kwaliteit, de multimodaliteit en volgens mij ook in de toepassing. De methode kan ook prima buiten de MRA toegepast worden, bijvoorbeeld in Friesland.

Hanneke: Ook belangrijk om je te realiseren is dat reistijd en betrouwbaarheid niet de standaard meetinstrumenten moeten zijn, maar dat beleving erbij echt tot andere conclusies leidt. We roepen al 15 jaar dat we de kwaliteit willen verbeteren. Nu is er een methode waarmee dat kan!