Bekostiging en financiering van gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s

Onderliggende pagina's

financiering - Gepubliceerd op - Laatste update: 22 januari 2019 om 13:36 uur

Op 24 mei stond het thema bekostiging en financiering van gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s centraal tijdens een bijeenkomst van het Leerplatform MIRT

In de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s zijn de ambities en opgaven voor economie, wonen, leefomgeving en bereikbaarheid fors en de wensenlijsten lang. Tegelijkertijd is er een beperkt zicht op bekostiging en financiering. Het Kabinet koerst in het Regeerakkoord op afspraken met stedelijke regio’s over cofinanciering. Genoeg urgentie om met elkaar in gesprek te gaan over kansrijke alternatieve en innovatieve vormen van bekostiging en financiering! Na enkele plenaire presentaties werden in kleinere groepjes verdiepende gesprekken gevoerd. Hieronder een impressie van de bijeenkomst.

Reguliere subsidies en fondsen vormen de eerste stap in het bekostigen van de gebiedsgerichte bereikbaarheidsopgaven. Maar het Infrafonds is belegd voor langere periode, en ook de regio-enveloppen en andere enveloppen zijn voor een groot deel belegd of niet toegesneden op de bereikbaarheidsprogramma’s. Zo sluit de methodiek van regio-enveloppen niet goed aan op bereikbaarheidsopgaven en voorzien ze in omvang onvoldoende in de ambities op het gebied van bereikbaarheid. Daar komt bij dat de jaarlijkse opbrengsten uit aardgas opdrogen na 2020. Een jaarlijks bedrag van 1 miljard euro, de voorbije decennia een belangrijke bron voor de bekostiging van de grote bereikbaarheidsopgaven van Nederland, komt daarmee te vervallen. De grote verstedelijkingsopgave van de Randstad, van meer dan 500.000 extra woningen tot 2040, leidt tot een omvangrijke bereikbaarheidsopgave van de grote steden. Om deze gebieden bereikbaar te houden, maar ook leefbaar, duurzaam en kwalitatief hoogstaand, is er geld nodig om deze opgave goed te kunnen realiseren. Provincie en gemeenten kunnen niet alleen voorzien in de bekostiging. Dit vraagt om het maken van andere keuzes voor de besteding van Rijksmiddelen, een politieke afweging. De behoefte aan alternatieve én innovatieve vormen van bekostiging en financiering is dus groot. 

In drie korte interviews geven Erik van de Brake (Head of Infrastructure bij PGGM), Erwin van der Krabben (hoogleraar Planologie, focus op Vastgoed- en locatieontwikkeling, Radboud Universiteit) en Bert van Wee (hoogleraar Transport Policy,TU Delft) hun aanbevelingenop alternatieve bekostiging- en financiering binnen gebiedsgerichte bereikbaarheidsprojecten. Zij illustreren aan welke voorwaarden programma’s, projecten en opdrachtgeverschap moet voldoen om aantrekkelijk te zijn voor alternatieve bekostiging en financiering. Zo noemt Van de Brake bijvoorbeeld dat bereikbaarheidsprogramma’s vaak complex en vaag in scope zijn, wat het inschatten van risico’s als investeerder moeilijk maakt. Het opknippen van de opgave in deelprojecten met heldere scope en stabiele contractuele afspraken helpt. Tegelijkertijd kan het samenvoegen van projecten juist helpen om tot een aantrekkelijke businesscase te komen. We moeten overgaan van denken naar doen, en leren door te experimenteren, laat Van Wee zien. Samen met partijen met een lange adem, want er gaat veel tijd overheen voordat de waardestijging van een gebiedsontwikkeling te meten is. Zo werd al in de jaren ’90 geïnvesteerd in de aanleg van de tunnel in Maastricht, en werd deze week de waardestijging van omliggende huizen bekend gemaakt. Van der Krabben pleit voor het beter inzichtelijk maken van de impact van besluiten en het integraler maken van beslisinformatie. De volledige film met de aanbevelingen is hieronder te bekijken.

(artikel loopt door onder video)

Adriaan van Hoogstraten (secretaris G4) en Pepijn van Wijmen (APPM) gaan in op de hoofdlijn in het lopende onderzoek naar bekostiging van bereikbaarheidsopgaven door de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht). De G4, als motor van de Nederlandse economie, kent een enorme woningbouw- en bereikbaarheidsopgave. Gecombineerd met de verduurzaming van de woningvoorraad en mobiliteit vraagt dit om een ander evenwicht in de huishoudrekening van het Rijk, én andere bronnen van bekostiging en financiering. Een aantal financiële constructen worden op dit moment onderzocht. Van Hoogstraten en Van Wijmen noemen als alternatieve bekostigingsbronnen onder andere het expliciet bestemmen van de bevolkingsgroei, voor de grote opgaven rondom verstedelijking en bereikbaarheid. Ook een afdracht uit de GREX of VEX geoormerkt terug laten vloeien naar bereikbaarheidsmaatregelen in de gebiedsontwikkeling biedt grote kansen. Dit vraagt om goede, structurele, afspraken met ontwikkelaars, niet per los project. Naast nieuw vastgoed, is de waarde toename van bestaand vastgoed of bestaand gebruik ook een potentiële inkomstenbron om bij te dragen aan bereikbaarheid. Een vierde optie zijn gelden uit de exploitatie van mobiliteit. Dat loopt uiteen van de exploitatie van het OV, opbrengsten uit parkeren of overige mobiliteitsdiensten. En tot slot kan met een herschikking van de Rijksbegroting extra geld worden vrijgemaakt. De verschillende opbrengsten kunnen gebruikt worden om een regionaal bereikbaarheidsfonds te vullen. Dit fonds kan dan ingezet worden om bereikbaarheidsopgaven te bekostigen. Om dit verder uit te zoeken en te bewerkstelligen wordt samenwerking gezocht met alle relevante stakeholders; overheden, vervoerders, ontwikkelaars, gebruikers en financiers.

Martin van der Does de Bye (Rebel Group) legt aan de hand van de derde Rotterdamse oeververbinding uit welke keuzes en afwegingen van belang zijn in het organiseren van bekostiging en financiering van een project van deze orde grootte. Hij geeft aan dat de belangen voor Rijk, gebruikers en bedrijven om te investeren anders zijn, en dat dus vanuit mogelijke baten voor deze partijen gedacht moet worden om hen te betrekken in de financiering en bekostiging. Algemeen gesteld dragen overheden bij wanneer maatschappelijke baten hoger zijn dan de kosten en de markt de kosten zelf niet neemt. Bedrijven dragen bij wanneer een tegenprestatie gekoppeld is aan het project, zoals verlaging van kosten elders of de mogelijkheid voor ontplooiing van eigen activiteiten. Dit roept vragen op als: welke projectscope helpt om de baten voor mogelijke financiers te vergroten, hoe snel komen baten tot ontwikkeling, welke manieren zijn er om baten af te romen/te benutten voor een project en hoe complex is het om de extra bron te organiseren, via o.a. regelgeving?

In drie deelsessies is dieper ingegaan op deze thema’s aan de hand van casussen aangedragen door de MRA, MRDH en Goederencorridor. De afsluitende conclusie van de ochtend was duidelijk: van overleggen naar uitvoeren is nodig om de kennis verder te ontwikkelen. Daarvoor liggen er diverse concrete handvatten. Ga als regio zelf aan het werk met het opzetten van bijvoorbeeld een mobiliteitsfonds, en neem geen afwachtende houding aan richting het Rijk. Het delen van concrete praktijkkennis uit de regio’s in een open gesprek en in netwerken als dit leerplatform draagt bij aan het realiseren van de grote opgaven waarvoor de regio’s staan. Aan de slag!