Aanbevelingen en lessen

Gepubliceerd 1 april 2019

Tot nu toe kunnen we de volgende tussenbalans opmaken van geleerde lessen en leerervaringen.

Elementen die in positieve zin hebben bijgedragen aan een Omgevingsagenda met meerwaarde:

  • Het samen opstellen van een plan van aanpak voor proces en inhoud van de Omgevingsagenda;
  • Het vooraf ontwikkelen van enkele keuzes en scenario’s voor de strategische positionering van een Omgevingsagenda in relatie met andere instrumenten voor beleidsontwikkeling en -uitvoering. Dit heeft enkele heldere uitgangspunten vooraf opgeleverd, waarvan ook tijdens het proces gebruik is gemaakt (bv bij sturen op selectiviteit, betrokkenheid van private partijen etc);
  • Het werken in duo’s van rijk en regio aan de uitwerking van enkele Omgevingsopgaven en deze duo’s ook een belangrijke rol geven in het proces heeft bijgedragen aan meer eigenaarschap en afstemming tussen partijen in de regio en tussen rijk en regio. Het uitgesproken commitment van de betrokken directeuren om het idee van duo’s ook op dit niveau door te trekken, kan een belangrijke succesfactor zijn in de komende jaren;
  • De keuze voor een sterk gebiedsgerichte insteek van de Omgevingsopgaven heeft geleid tot integraal geformuleerde Omgevingsopgaven die niet meer sectoraal of naar schaalniveau zijn ingedeeld, of zijn in te delen. Dit geeft invulling aan ‘opgavegericht werken’;
  • De keuze om vooral Omgevingsopgaven op te nemen die als ‘vliegwiel’ kunnen werken voor andere opgaven, heeft de selectiviteit en focus bevorderd, al blijft de vraag of dit nog scherper had gekund;
  • Het zorgvuldig in beeld brengen van ‘wat al loopt’, maakt scherper ‘wat aanvullend nog nodig is’. En met name dat laatste is belangrijk om de meerwaarde van een Omgevingsagenda scherper te krijgen. Beide elementen helder krijgen geven bovendien invulling aan het uitgangspunt dat de Omgevingsagenda Oost vooral moet gaan functioneren als ‘beleidsafstemming’ tussen rijk en regio.

Elementen die beter hadden gekund of nog meer aandacht nodig hebben in volgende fase:

  • Veel eerdere betrokkenheid van een brede vertegenwoordiging van directeuren, bijvoorbeeld om zich uit te spreken over de keuzes en scenario’s en over de scherpte in de Omgevingsopgaven. Directeuren zijn tussentijds wel bilateraal geïnformeerd, maar het gevoel van gezamenlijkheid en commitment kan pas ontstaan bij fysieke en open ontmoetingen. Het overleg van 6 maart is een goed voorbeeld en begin, maar had bijvoorbeeld ook een half jaar eerder kunnen plaatsvinden;
  • De betrokkenheid van private partijen en maatschappelijke organisaties blijft een zoekproces. Qua aard en inhoud van de opgaven zijn deze partijen nodig, maar qua abstractieniveau en beschikbare tijd is deelname niet vanzelfsprekend. Over de betrokkenheid zijn wel tijdens het proces bewuste keuzes gemaakt. Maar nieuwe vormen van interactie (meer digitaal?) zouden hiervoor kunnen worden verkend.
  • Het aanvullen / aanscherpen van de Omgevingsopgaven met de dilemma’s (naar inhoud van de opgave en/of afstemming tussen rijk en regio) kan het handelingsperspectief van de Omgevingsagenda vergroten, doordat explicieter wordt gemaakt ‘waaraan gewerkt moet worden’;
  • Het spoor van ‘trendwatching’  is in de praktijk vooral gebaseerd op en beperkt tot de analyse van beschikbare bronnen. Oorspronkelijk was de opzet om dit spoor toekomstgerichter in te vullen met diverse actuele activiteiten en het betrekken van diverse, externe partijen. In de dagelijkse prioriteitstelling is meer prioriteit gegeven aan de beide andere sporen.

Het strategisch overleg heeft voor de nog te ontwikkelen Omgevingsagenda’s een aantal aanbevelingen geformuleerd, deze zijn:

Inhoud

  • Benoem de breedte aan opgaven, maar breng vervolgens focus aan door te prioriteren en faseren in de aanpak.
  • Leg een duidelijke link met de NOVI-opgaven.
  • Leg een link tussen de opgaven en regio’s, ook op directeurenniveau.
  • Het frame waarmee je start is niet een landsdelige agenda (want daarvoor is een landsdeel niet uniform genoeg), maar regionale agenda’s met verbindingen daartussen.

Vorm

  • Zorg dat het een dynamisch document wordt dat aangepast kan worden aan nieuwe ontwikkelingen.
  • Maak er één verhaal van maken qua stijl en gebruik van termen.

Proces

  • Zorg voor een evenwichtige verdeling van partners, waarbij je duidelijkheid schept over wie je wel en niet betrekt (bijv. gemeenten).
  • Investeer in elkaar leren kennen met respect voor waar je vandaan komt.
  • Neem de tijd om met elkaar van gedachte te wisselen, zorg voor een continu proces.
  • Betrek vanaf het begin de directeuren en bestuurders en houd ze ook betrokken.
  • Zorg voor één gelijke werkwijze/investering/betrokkenheid/inzet bij alle opdrachtgevers.