Blok 6: Fase 3 Adaptief besluiten en rapporteren

Gepubliceerd 1 april 2019

Op woensdag 6 maart heeft voor het eerst een informeel Directeurenoverleg plaatsgevonden, waaraan ruim 20 directeuren van Rijk en regio hebben deelgenomen.

Tijdens dit overleg is van gedachten gewisseld over de meerwaarde van het nieuwe instrument Omgevingsagenda in relatie met andere, lopende programma’s en projecten. Daarnaast is tijdens dit overleg het commitment uitgesproken om ook op het niveau van de directeuren, voor elk van de voorlopig negen Omgevingsopgaven, ‘duo’s van rijk en regio’ te gaan vormen, die het eigenaarschap op zich nemen om elke opgave verder te brengen. Daarbij is geconstateerd dat het kan helpen om bij elke opgave de specifieke dilemma’s die spelen (inhoudelijk en/of in de afstemming tussen Rijk en regio) scherper te agenderen in de Omgevingsagenda en op basis hiervan de benodigde extra inzet van Rijk en regio expliciet te maken.

De duo’s van Rijk- en regio-directeuren hadden in de periode maart tot mei de tijd om een aanscherping per opgave te maken. Dit heeft is wisselende mate tot resultaten geleid. Parallel is tijdens een bijeenkomst van het Strategisch overleg het vervolgproces en de ontwikkelpunten van de Omgevingsagenda besproken en is er tijdens een werksessie met het brede kernteam gewerkt aan de herkenbaarheid en toekomstgerichtheid van het Perspectief op Oost. Dit samen resulteerde in de Eerste Proeve van de Omgevingsagenda Oost op 2 mei 2019 in het Bestuurlijk Overleg MIRT op 15 mei 2019.

Tijdens het Strategisch BO MIRT in mei zijn de opbrengsten tot nu toe besproken en is de afspraak gemaakt om de eerste proeve uit te werken tot een volwaardige Omgevingsagenda in het najaar van 2019. Daarmee wordt een fase toegevoegd aan het oorspronkelijke plan van aanpak.

Percepties en leerervaringen
Tijdens deze fase worden de volgende percepties en leerervaringen opgedaan.

  • De brede scope van de Omgevingsagenda maakte dat bestaande gremia van directeurenoverleggen niet logisch bleken om het product en proces te bespreken. Het instellen van een informeel directeurenoverleg op rijk- en regio-niveau was een effectieve oplossing. Directeuren spraken hun commitment uit en gaven aan ook zelf eigenaarschap te willen pakken door zelf nog een slag te maken met de bestaande omgevingsopgaven.
  • Er zou nog meer waarde uit de betrokkenheid van directeuren gehaald kunnen worden door ze eerder in het proces al als groep te betrekken.
  • De duo directeuren zijn in wisselende mate tot resultaten gekomen doordat de opdrachtformulering onvoldoende helder was. Daarnaast lag het initiatief te veel bij de directeuren (die daar in de praktijk niet zelf aan toe komen), in plaats van bij de eerdere ambtelijke duo-trekkers van de omgevingsopgaven.
  • Flexibiliteit in het proces is belangrijk, zeker omdat de Omgevingsagenda samenhangt met het nationale traject van de NOVI.